Gepland van Antwerpen tot aan de Rijn, nooit in zijn geheel, maar slechts in fragmenten gerealiseerd, herinnert het Noordkanaal aan de geopolitieke en economische betekenis van de regio tussen Rijn en Maas.
Dit project is in het kader van de eigen presentatie van een van de Europese kerngebieden Düsseldorf/Midden-Beneden-Rijn en Noord- en Midden-Limburg een vuurtorenprojekt met een regionale en grensoverschrijdende dimensie.
Toen in het begin van de 19de eeuw de gebieden van de EUROGA 2002plus na eeuwenlange verdeling onder de heerschappij van Napoleon weer verenigd waren, nam de Franse regering het idee van een kanaalverbinding tussen Rijn en Maas weer op. Het idee om een kanaal van Rijn naar Maas en van de Maas tot aan de Schelde aan te leggen werd steeds concreter.
Het was de bedoeling dat dit kanaal Antwerpen en de Zuid-Nederlandse provincies zou verbinden met de handelscentra aan de Rijn. Napoleon wilde het snellere transport van goederen bevorderen en bovendien verhinderen dat zijn vijand Engeland ongehinderd handel kon drijven met het Europese vasteland. De Nederlanders, die profiteerden van deze handel, verzetten zich tegen dit plan van Napoleon. De winstgevende sleutelpositie zou door de bouw van het waterkanaal Schelde-Maas-Rijn in gevaar komen.
Verschillende ontwerpen om de Fossa-Eugeniana, een kanaalverbinding uit de 17de eeuw, volledig te voltooien vonden geen steun. Napoleon verdedigde zijn plan om een oude handelsweg van Neuss via Venlo naar Antwerpen als een tracé voor het kanaal aan te wijzen. In het bouwbesluit van 1806 stond dat men met de bouw van de Noordervaart in 1807 zou beginnen. Het gehele tracé werd verdeeld in twee secties: de Noordervaart van Antwerpen naar Venlo en het Noordkanaal van Venlo naar Neuss.
Napoleons ingenieur Hageau werkte het tracé uit. Het kanaal zou het oude Rijndal volgen. De Niers stroomt door een groot gedeelte hiervan. De totale lengte van het kanaal vanaf de Rijn tot aan de Maas bedroeg 53 km.
Er werd zelfs aan de aanleg van drie havens gedacht - een Rijnhaven (afb. 1), in Süchteln en in Venlo - en aan 16 sluiswachter- en brugwachterhuisjes (afb. 2). Men dacht ook aan de bouw van ophaalbruggen (afb. 3) voor de grootste en belangrijkste wegen en de inrichting van veerdiensten voor de kleinere wegen. De toevoer van water uit de Erft en de Niers zou garanderen dat het kanaal ook in de zomer over voldoende water zou beschikken.
In het voorjaar van 1807 werd met de aanleg van het kanaal begonnen en in 1812 zou het voltooid zijn. (afb. 4) Het jaar 1810 bracht echter grote veranderingen met zich mee. Op het moment dat het Koninkrijk der Nederlanden de Franse gebieden bezette, was het project voor Napoleon niet meer interessant. Er werd niet meer in de aanleg van het kanaal geïnvesteerd en in plaats van de vijandige gezindheid zocht men verzoening met de Nederlanders.
Dit is de reden waarom de aanleg van het kanaal maar gedeeltelijk (sluis Luisenburg, aardwallen, bruggen, brugwachterhuisjes, kanalen, haven Neuss) werd gerealiseerd. Op veel plaatsen werden later op de oorspronkelijke kanaalpercelen nieuwe tracés voor spoorwegen en straten aangelegd. Zo kan het Noordkanaal ook waar het niet werd aangelegd gedeeltelijk alsnog direct worden aangelegd. En op vele plaatsen verwijzen straatnamen als Aan het Noordkanaal nog naar het historische project.
Afb.: A. Hageau: Atlas pour servir â lintelligence de la description du canal de jonction de la Meuse au Rhin. Paris 1819